Artikelen

Extreme armoede is een staat van ontmenselijking. En dat komt door uitsluiting.

Ontwikkelingsorganisaties willen de allerarmsten te bereiken. Maar doen ze dat eigenlijk wel? Onderzoeker Anika Altaf bezocht Bangladesh, Ethiopië en Benin en sprak met de armste mensen daar. Ze kwam tot de conclusie dat deze mensen buiten het zicht van de hulp blijven. ‘Armoede gaat niet alleen om geld. Het gaat om uitsluiting door anderen en om zelfuitsluiting.’

Foto: Pixabay

Dit artikel verscheen eerder in Vrij Nederland

Ze deed het zonder erbij na te denken, zegt Altaf. Uit spontaniteit pakte ze een vrouw bij haar arm met wie ze de hele ochtend had gesproken om haar levensverhaal op te tekenen. Zoals ze dat bij iedereen zou hebben gedaan. Maar de vrouw was van haar stuk gebracht. ‘Je raakt me aan,’ zei ze. ‘Ik ben al zolang niet meer aangeraakt.’

Het is illustratief voor wat Altaf tegenkwam in haar onderzoek. Ze reisde naar Bangladesh, Benin en Ethiopië en vroeg in gemeenschappen daar wie er de allerarmsten waren. Ze keek in deze gebieden naar alle ontwikkelingsprojecten van de afgelopen dertig jaar. Vervolgens interviewde ze zeventig van de allerarmste mensen om hun levensverhaal te achterhalen en om te kijken of ze iets hadden gehad aan die dertig jaar hulp. De meesten van hen bleken al langdurig arm. Ze waren buiten het zicht van alle ontwikkelingsorganisaties in hun gemeenschappen gebleven en hadden niks aan de hulp gehad.

En dat is opmerkelijk. Hoewel in veel landen in bijvoorbeeld sub-Sahara Afrika de economieën langzaam groeien, nemen de armoede en ongelijkheid er ook toe. Net zoals elders ter wereld. Ontwikkelingsorganisaties richten zich juist op het tegengaan van die ongelijkheid. Onder het motto ‘leaving no one behind’ zou iedereen moeten profiteren van de economische groei, dat is de gedachte achter de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Bijna alle ontwikkelingsprogramma’s hebben deze doelstelling onderschreven. Ze worden ook gefinancierd om bij te dragen aan deze doelen.

Maar toen Prof. Dr. Ton Dietz van het Afrika-Studiecentrum Leiden tussen 2007 en 2013 een nieuwe manier van evalueren van ontwikkelingssamenwerking introduceerde, waarbij aan gemeenschappen en niet alleen aan de ontvangers van hulp werd gevraagd in hoeverre ze daar profijt van hadden gehad, bleek dat de allerarmsten helemaal geen hulp hadden ontvangen. Het was de aanleiding voor het onderzoek van Altaf bij de universiteiten van Leiden en Amsterdam, medegefinancierd door ontwikkelingsorganisatie Woord en Daad, die ook graag wilde weten hoe het zat. Wie zijn die allerarmsten eigenlijk en waarom kennen we ze niet, vroeg Altaf zich af.

Hoe kwam het dat deze mensen buiten beeld waren gebleven?
‘Er waren natuurlijk heel veel verschillen tussen mensen, maar wat ze allemaal gemeen hadden, was uitsluiting. Niet alleen uitsluiting door anderen, maar ook zelfuitsluiting. Als een ontwikkelingsorganisatie bijvoorbeeld een programma uit wilde rollen, kwamen deze mensen niet naar de informatiebijeenkomsten. Ze woonden vaak geïsoleerd. In de gemeenschap wist iedereen wel wie het waren, maar ze deden niet mee.’

Waarom niet?
‘Ik kwam erachter dat geld maar een klein onderdeel is van diepe armoede. Het gaat ook om relaties en om hoe je over jezelf denkt. Veel mensen zeiden tegen me dat ze minder moeite hadden met honger of weinig geld als ze maar relaties met anderen hadden. De dagen van de allerarmsten zijn vaak eenzaam en donker. Sommige mensen, vooral degenen die al jaren in deze situatie zaten, hoopten op de dood. Dat zagen ze als enige oplossing voor hun uitzichtloze situatie. Mensen vallen niet alleen buiten de gemeenschap, ze gaan zichzelf ook als minderwaardig beschouwen, als een last. Daardoor ontstaat zelfuitsluiting. Er is een verschil tussen armoede en diepe armoede. Bij “gewoon” arme mensen zijn de sociale relaties vaak nog wel intact, deze mensen zijn vaak nog best gelukkig met wat ze wél hebben. Ik gebruik overigens liever het woord welzijn dan armoede, juist omdat het om veel meer gaat dan geld.’

In je onderzoeksrapport zeg je dat armoede niet alleen een gebrek aan geld is, en ook niet alleen het gevolg van structurele ongelijkheid. Wat bedoel je daarmee?
‘Het gaat veel meer om mee mogen doen, voelen dat je mens bent en erbij hoort. Armoede is eigenlijk een langdurig proces van ontmenselijking. De vrouw uit Benin bijvoorbeeld leek eerst niet helemaal in orde. Ze sprak nauwelijks en incoherent. Maar ze bleek vergeten te zijn hoe ze moest communiceren. Nadat ik een hele dag met haar had doorgebracht, vertelde ze me uiteindelijk toch haar levensverhaal, dat gekenmerkt werd door verlies en eenzaamheid. Ze had epilepsie en werd daarom als een paria behandeld. Ze woonde aan de rand van het dorp in haar eentje en leefde van de verkoop van sprokkelhout. Ze maakte overigens op de laatste dag dat ik haar zag een grapje. Er kwam een glimp van wie ze eigenlijk was of had kunnen zijn naar boven.

‘Dat ze niet meer wist hoe het was om als mens gezien te worden was niet uniek. Sommige anderen die ik sprak zeiden dingen als: “Ik moet wel slecht zijn, anders zou mijn situatie niet zo zijn als die is.” Of: “Ik ben een soort wild dier.”’

Het relationele aspect is dus cruciaal. Tegelijkertijd is er nu veel interesse voor het direct geven van geld en de invoering van een basisinkomen. Uit studies blijkt dat dat mensen zou aanzetten tot betere keuzes die leiden tot structurele verbetering, niet alleen voor henzelf, maar ook voor hun omgeving.
‘Ja, dat weet ik. Maar de programma’s die ik ken die zijn gericht op het direct geven van geld, zoals de graduation approach van de organisatie BRAC in Bangladesh, geven bij mijn weten ook coaching gericht op het vergroten van een netwerk en zelfvertrouwen. Voor extreme armoede is dat ook echt nodig, want als je geen netwerk hebt en niet meedoet, dan wordt het alsnog heel lastig om echt op een duurzame manier te profiteren van dat geld. Als mensen zelf niet het gevoel hebben dat ze eigenaarschap hebben over hun leven en er iets van kunnen maken, dan blijven ze vaak hangen tussen extreme armoede en armoede. Een studente uit een extreem arme familie in Ethiopië had het bijvoorbeeld geschopt tot een prestigieuze universiteit met behulp van een beurs. Ze was een van de weinige allerarmsten die wél hulp hadden gehad. Maar ze is na een paar maanden gestopt met de studie omdat ze niet kon aarden tussen de rijkere studenten en heimwee kreeg. Ze bleef zichzelf zien als extreem arm en minderwaardig en het lukte het haar niet om een andere rol in te nemen en te profiteren van de situatie en mee te doen aan de samenleving. Daarom is aandacht voor het relationele en cognitieve aspect zo belangrijk.’

Ook in Nederland kampen steeds meer mensen met armoede. Leerkrachten durven in een kringgesprek het weekend niet meer te bespreken, het aantal daklozen is het afgelopen jaar verdubbeld, een op de negen kinderen groeit op in armoede en die kinderen presteren slechter op school. Wat kunnen beleidsmakers hier met jouw inzichten? 
‘Ik heb een heel sterk vermoeden dat als ik de mensen in armoede in Nederland zou spreken, ik bij hen dezelfde gevoelens zou aantreffen als elders ter wereld. Gevoelens van schaamte, zelfuitsluiting en waardeloosheid. Ik woon tegenover Het Leger des Heils en zie daar soms daklozen waar anderen in een boog omheen lopen en met afschuw naar kijken. Ook daar vinden processen van uitsluiting plaats. Je kent vast zelf het gevoel van geen oogcontact willen maken met een dakloze omdat je bang bent voor een vraag om hulp. Maar stel je voor hoe het voelt als niemand je wil aankijken. Mensen krijgen zo het gevoel dat ze er niet toe doen, er niet mogen zijn. Het is van belang dat we ons als samenleving realiseren dat het om mensen gaat en vanuit dat perspectief moeten beleidsmakers werken aan sociale vangnetten, zodat mensen hun basisbehoeften kunnen vervullen.
‘Maar de overheid is niet de enige die hier verantwoordelijk voor is. De overheid kan ervoor zorgen dat die materiële behoeften vervuld worden, maar als samenleving hebben we de belangrijke taak om de mensen die we nu uitsluiten op te nemen en bij te dragen aan dat relationele en mentale aspect. Ook voor onszelf. Zijn we bereid om met elkaar voor elkaar te zorgen, ook als dat betekent dat we wellicht zelf in materieel opzicht iets moeten inleveren? Ik hoop dat mensen zich realiseren dat ze er met die zorg voor anderen in levensgeluk op vooruit zullen gaan, want het is de kwaliteit van relaties die de mate van geluk bepaalt en niet wat je hebt. Dat is ook uit onderzoek gebleken, bijvoorbeeld uit het grote Harvard Happiness onderzoek.’

We moeten armoede gaan definiëren als stelselmatige uitsluiting, vind jij.
‘Het menselijke aspect is echt veel belangrijker dan het financiële aspect. Ontwikkelingsorganisaties richten zich vaak alleen op het vergroten van het inkomen en kijken veel te weinig naar die andere aspecten, zoals de context van uitsluiting, bijvoorbeeld culturele uitsluiting.’

Een ander probleem waar veel ontwikkelingsorganisaties te weinig oog voor hebben, is corruptie, zeg je.
‘Ontwikkelingsorganisaties kennen de verhoudingen binnen een samenleving vaak niet, en hebben niet in de gaten dat de overheid of de lokale elite met de projecten aan de haal gaan. Ze denken dat ze de armste mensen bereiken, maar dat is eigenlijk niet het geval. Ze werken bijvoorbeeld samen met de leiders in een gemeenschap. Die worden dan verantwoordelijk gesteld voor het selecteren van mensen die kunnen deelnemen aan projecten en kiezen mensen binnen hun eigen netwerk. Overheden vragen nogal eens smeergeld aan mensen om in aanmerking te komen voor hulp, en dat hebben de allerarmsten niet. Of ontvangers moeten een deel van de hulp afstaan aan de verantwoordelijke ambtenaar, bijvoorbeeld de helft van de tien kilo rijst waar ze volgens een programma recht op hebben.’

Hoe waren de reacties binnen de ontwikkelingswereld op de uitkomsten van je onderzoek?
‘Verschillend. Veel organisaties hadden niet door dat ze de allerarmsten niet bereiken. Het is een blinde vlek en ook wel schrikken.’

Wat gaan ze met de resultaten van je onderzoek doen?
‘Volgens mij zijn veel organisaties hier nog niet helemaal uit. Sommige organisaties willen hun praktijk verbeteren. Woord en Daad bijvoorbeeld is dat van plan. Andere organisaties gaven aan dat hun expertise niet ligt bij het bereiken van de allerarmsten. Dat snap ik wel en ik denk ook dat niet alle organisaties dat hoeven te doen. Die groep van meest gemarginaliseerde mensen is ook niet homogeen. Het zijn bijvoorbeeld mensen met een beperking, migranten, etnische minderheden. Maar de doelstelling die al deze organisaties onderschrijven en die het uitgangspunt is van de duurzame ontwikkelingsagenda voor 2030 is: leaving no one behind. Dus ook de allerarmsten niet. Het is daarbij belangrijk om te voorkomen dat er nieuwe mensen in zo’n situatie komen. Daarvoor moeten organisaties zich denk ik veel meer bewust worden van deze laag van de bevolking, van de context waarin ze werken, maar ook van wat andere organisaties doen. Het valt me op dat veel organisaties maar op hun eigen eiland aan het werk zijn, terwijl er op systeemniveau moet worden gewerkt, in samenwerking met de overheid om te zorgen dat er geen nieuwe mensen worden uitgesloten. En dan kunnen sommige organisaties zich richten op het betrekken van de mensen die nu al wél uitgesloten zijn. Nu gebeurt er nog veel te weinig om de allerarmsten te bereiken. Het systeem dat leidt tot verdere uitsluiting moet worden aangepakt.’

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je me nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -