Artikelen

Ambassadeur zonder papieren. Trouw

Mufti Ababujey voldoet niet aan het beeld van de ongedocumenteerde. Hij is dagelijks druk bij debatten, stichtingen en andere activiteiten en kent praktisch iedereen in de Amsterdamse Bijlmer. In het stadsdeel staat hij bekend als ‘Ambassador of Humanity’. ‘Mensen geloven vaak niet dat ik geen papieren heb.’

       

       

      Als Mufti Ababujey (39) door Amsterdam Zuidoost loopt, is hij constant aan het groeten. “De Bijlmer is als Ghana”, lacht hij. Een verwarde man klampt hem aan. Ababujey zegt wat aardigs en beent verder, de man wat verbouwereerd achterlatend. Ababujey begroet inmiddels een winkelier, die djellaba’s (traditionele Marokkaanse kleding) verkoopt. Vijf meter verderop omhelst hij een vriend. Aan de overkant van de straat roept een man hem iets toe in het Twi (Ghanese taal). Ababujey grijnst. “Hij hoorde me gisteren op de radio. Daar maakt hij een grapje over.” Ababujey wordt regelmatig gevraagd om te spreken op Radio Zuidoost, sinds hij er enkele jaren vrijwillig werkte. Een politieauto passeert, Ababujey zwaait enthousiast. De agent stopt en draait zijn raampje open. “Hé jongen, hoe is het?” vraagt Ababujey. Handen worden geschud, schouders stevig beklopt.

      Als de auto verder rijdt, zegt hij: “Ongedocumenteerden zoals ik moeten de politie te vriend houden. We leven samen in een kleine ruimte in onzekerheid over onze toekomst. Dat geeft spanningen. De politie moet weten dat we goede jongens zijn.” Het is geen loze opmerking. Afgelopen juni overleed één van de ongeveer 120 mannelijke bewoners van de Vluchtgarage, de ruimte waar Ababujey op doelt, aan de gevolgen van een vechtpartij. Onlangs kondigde de officier van justitie bovendien aan dat de garage zal worden ontruimd. Een recept voor meer spanningen.

      Veertien jaar geleden arriveerde Ababujey in Nederland, na een hevige strijd in zijn familie over de erfenis van zijn vader. Hij is één van de naar schatting 30.000 tot 200.000 ongedocumenteerden in Nederland. Op Schiphol liep hij naar zwarte schoonmakers. “Waar wonen de Afrikanen hier?” vroeg hij. Eenmaal in de Bijlmer zocht hij overdag werk. ‘s Nachts sliep hij op straat of in de bus. “Ik nam een lijn die lang onderweg was. Bij het eindstation deed ik of ik de halte gemist had en reisde weer terug.” Na een maand kon hij helpen met een krantenwijk. Van het verdiende geld huurde hij een kamer voor 130 gulden. Die moest hij weer opzeggen toen de huur werd verhoogd.

      Ababujey vroeg nooit asiel aan. Behalve dat hij waarschijnlijk weinig kans zou maken, was het volgens hem ook een bewuste keuze: “Ik wil niet dat anderen beslissen of ik hier mag zijn.” Soms slaapt hij in de Vluchtgarage, maar evengoed elders. Bij een vriend kookt hij een uitbundige Ghanese maaltijd. Hij logeert er, maar moet na een maand weer weg, omdat de vrouw van zijn vriend overkomt. Voor het bericht over de toekomstige ontruiming van de Vluchtgarage maakte hij zich weinig zorgen over zo’n mededeling van een vriend. “Ik ken veel mensen en leef hier al lang. Ik kan wel weer ergens terecht.” Maar met het einde van de garage verliest Ababujey zijn achtervang en wordt hij afhankelijker van vrienden en bekenden. Dat geeft zorgen. “Verschillende mensen zeiden dat ik ze kan bellen, maar niemand vroeg me om te komen. Ik weet nu niet goed bij wie ik straks welkom ben.”

      Ababujey leeft van giften en donaties. Hij krijgt ze voor zijn diensten, maar ook uit sympathie. “Als mensen in de Ghanese gemeenschap weten van je situatie, dan helpen ze je.”
       

      Armoede is relatief

      Hij vertelt dat hij een deel van die giften naar zijn familie in Ghana stuurt, ondanks zijn sobere bestaan. “Armoede is relatief”, legt hij uit. En mijn familie blijft belangrijk.”

      Zijn leven is hectisch. Dagen zijn gevuld met debatten, (het filmen van) activiteiten van stichtingen in de Bijlmer en vriendenbezoek. Zijn filmcamera, ‘een gift’, neemt hij overal mee naartoe.

      Een bekende belt: of hij die middag foto’s kan maken van vrouwen die hun fietsdiploma ontvangen. Achteraf stopt ze hem veertig euro toe. Bij een debat op de Vrije Universiteit discussieert hij mee over diversiteit op de werkvloer. Afgelopen november filmde hij minister Ploumen van handel en ontwikkelingssamenwerking op de Afrikadag van de Max van der Stoel Foundation. “Nederland is nu de gemeenschap waar ik woon. Daarom wil ik me ervoor inzetten”, zegt Ababujey.

      Hij is er open over dat hij geen papieren heeft. “Ik heb de angst achter me gelaten.” Henk van de Belt, betrokken bewoner van stadsdeel Zuidoost, bewondert Ababujeys moed: “Bijna iedereen zonder papieren houdt dit strikt geheim. Niet zonder reden. Ik bezocht Bijlmerbewoners die in een detentiecentrum op Schiphol waren beland.” Ababujey is volgens Van de Belt één van de ongedocumenteerden die langdurig in Nederland wonen en er een maatschappelijke positie verwierven. “Hij heeft een megafoonfunctie en een brugfunctie. Hij komt op voor de belangen van ongedocumenteerden en van de Ghanese gemeenschap.” Zo zag Van de Belt Ababujey vol vuur argumenteren met een stadsdeelbestuurder van Zuidoost tijdens een bezoek aan de Vluchtgarage.

      “Hij was fel en pleitte voor humanere opvang.” Ababujey is volgens hem een natuurlijk leider. “Er zijn altijd mensen die in een stresssituatie anderen inspireren en het voortouw nemen. Mufti is zo iemand. Een strijder.”
       

      Mensonwaardig

      De leefomstandigheden in de Vluchtgarage zijn pittig. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde in juni vorig jaar dat het leven er ‘mensonwaardig’ is. Het tocht in het metalen frame met schotten dat vroeger dienst deed als garage. De leuning van de ijzeren trap naar boven plakt. Op de ‘Afrikaanse’ verdieping staan teksten op de muur geschreven. ‘Niemand is illegaal’. En ‘Ieder mens heeft recht op een bestaan’. “Die heb ik erop gezet”, zegt Ababujey trots. “Om de moraal een beetje hoog te houden.” Er staan kisten met uien en wortels, gedoneerd door de voedselbank. Een speculaaspop ligt nog in zijn verpakking op een lage tafel. Tussen de bedden hangen doeken in een poging privacy te creëren. Alleen mannen wonen hier. Eén van hen zit op bed. Hij stelt zich voor als Fuad. Ababujey beschouwt hij als een vriend. “Eerst woonde ik in de Vluchtflat. Mufti kwam naar ons toe. Hij verzekerde ons dat we niet hoefden te verpieteren. Hij bracht boeken om Nederlands te leren.” John Sahr, een Sierra Leoner met wie Ababujey samenwerkt in het Wereldhuis (een informatiecentrum voor ongedocumenteerden): “Door Mufti ga ik naar debatten, zoals die op de VU. Hij heeft veel energie. Dat inspireert.”

      Maar zelfs bij Ababujey eist het onzekere bestaan zijn tol. Vermoeidheid tekent soms zijn gezicht. Zeker sinds hij afgelopen oktober in een fietstunneltje in zijn lies werd geschoten. Hij wijst de plek aan. “Hier liep ik. Drie passerende fietsers zeiden me te stoppen. Ik liep door, wilde het tunneltje uit. ‘Geef alles wat je hebt’, riepen ze. ‘Ik heb niks, kom maar kijken’, antwoordde ik. Een pistool verscheen. Ze schoten in mijn lies en fietsten weg. Ik viel en schreeuwde om hulp. Ik strompelde het viaduct op en lag schreeuwend aan de rand van de weg. Na een tijd stopte een passagiersbus. De ambulance en politie volgden snel.” Ababujey werd geholpen in het AMC. Hij kreeg een briefje mee met een telefoonnummer voor als hij klachten hield. Het gaat langzaam beter, maar hij heeft nog steeds pijn. De politie zoekt de daders nog. Ababujey probeert de gewapende overval te relativeren. “Pure pech.” Het tunneltje mijdt hij niet. “Ik moet met de angst leren omgaan.”

      Soms knaagt het gebrek aan een vaste basis. “Ik zou een vrouw en kinderen willen. Maar vrouwen haken af zodra ze merken dat ik geen papieren heb. Het piekeren zorgt er mede voor dat zijn dagen zo goed gevuld zijn. “Als ik bezig ben, pieker ik minder.” Sinds het schot heeft hij niet meer in de Vluchtgarage geslapen. “Die drukte kon ik toen niet aan.” Hij moet er soms ook op zijn tellen passen. “Mijn activiteiten maken anderen soms jaloers. Waarom kom ik op de radio en AT5 en zij niet?”

      Afgunst speelde volgens Ababujey ook een rol bij zijn vertrek uit Ghana. Ook daar was hij naar eigen zeggen zeer actief in de lokale gemeenschap. Zijn vader was imam, en Ababujey kwam uit een gerespecteerde familie, vertelt hij. Hij had twee oudere broers. “In Ghana krijgen de oudere kinderen gelijk. De jongeren moeten gehoorzamen.” Een vriend in de gemeenschap betrok hem bij een politieke partij. Maar zijn vader keurde het af, zijn broers waren jaloers. Toen Ababujeys vader overleed, eiste een oom een deel van de erfenis op. “Mijn broers stonden het toe.” Maar Ababujey sprak zijn oom erop aan, die inbond. De spanningen binnen zijn familie werden daarna onhoudbaar, vertelt Ababujey. Hij besloot te vertrekken. Van een vriend kreeg hij een paspoort, van een vriendin een seintje toen er een goedkope vlucht naar Nederland was. Hij wist dat daar veel Ghanezen woonden.

      Nu, in de Bijlmer, wordt hij ‘Ambassador of Humanity’ genoemd. Zijn neef Abdul Latif Tamimu, die hier ook woont: “Mufti’s broers zijn bijgedraaid, ze willen dat hij terugkomt. Maar wij kunnen hem niet meer missen.”

      Geef een reactie